Maskers van papier: een chronologische biografie van Osamu Dazai

De Japanse schrijver Osamu Dazai (1909–1948), het pseudoniem van Shuji Tsushima, behoort tot de meest invloedrijke stemmen uit de Japanse literatuur van de twintigste eeuw. Met een oeuvre dat doordrenkt is van ironie, zelfonderzoek en existentiële twijfel wist hij een generatie lezers te raken die zich herkende in zijn gevoel van vervreemding en verlies.

Omdat wij met Cosimo een nieuwe uitgave hebben gepubliceerd van zijn bekendste roman Zonsondergang willen we ook stilstaan bij het leven achter het werk. Dazai’s biografie is namelijk even indringend als zijn literatuur: een leven gekenmerkt door innerlijke strijd, literaire ambitie, politieke onrust en een voortdurende zoektocht naar betekenis.

In deze chronologische biografie – voor je opgeschreven door Agata Hadula – volgen we Dazai vanaf zijn jeugd in een welgestelde familie in het noorden van Japan, via zijn jaren als jonge schrijver in Tokio, tot aan de turbulente periode waarin hij zijn belangrijkste werken schreef. Onderweg ontstaat een beeld van een auteur die zijn eigen kwetsbaarheid en mislukkingen niet schuwde, maar ze juist omvormde tot literatuur.

Door zijn leven stap voor stap te volgen, wordt duidelijk hoe nauw Dazai’s werk verweven is met zijn persoonlijke geschiedenis — en hoe romans als Zonsondergang niet alleen literaire werken zijn, maar ook echo’s van een bewogen bestaan. Benieuwd geworden naar Zonsondergang? Vergeet dan natuurlijk niet je exemplaar te bestellen in onze webshop.

1909 – Op 19 juni 1909 wordt Tsushima Shuji geboren in Kanagi, in het noorden van de Japanse Tohoku-regio, in de prefectuur Aomori. Hij is de zesde zoon en het tiende van elf kinderen van Tsushima Genemon, een rijke grondbezitter en invloedrijke politicus, en diens vrouw Tane. De familie Tsushima is oorspronkelijk van eenvoudige boerenafkomst, maar dankzij Shuji's overgrootvader, die als geldschieter een fortuin had opgebouwd, is het gezin uitgegroeid tot een van de vier machtigste landeigenaren van de streek. Zijn vader, Genemon, bekleedt bovendien een hoge positie in de landelijke politiek. Door de afwezigheid van zijn ouders – de politieke verplichtingen van zijn vader en de chronische ziekte van zijn moeder – wordt Shuji grotendeels opgevoed door bedienden in het pas voltooide familiehuis van de Tsushima’s, dat bij zijn geboorte ongeveer dertig familieleden en bedienden huisvestte.

1916 (7 jaar) – Shuji begint zijn lagere schoolopleiding aan de Kanagi Elementary School in zijn geboortedorp Kanagi.

1923 (14 jaar) Op 4 maart 1923 overlijdt zijn vader, Genemon, aan longkanker, waarna zijn oudste broer Bunji het hoofd van het gezin wordt. Een maand later begint Shūji als kostleerling aan de Aomori Junior High School.

1925 (16 jaar) – Shuji publiceert zijn eerste verhaal in het literaire tijdschrift van de school.

1927 (18 jaar) – In april rondt Shuji zijn vierde jaar aan de middelbare school in Aomori af en ging hij naar de Hirosaki High School, een voorbereidend instituut voor de universiteit, waar hij inwoont bij familie in Hirosaki. Daar raakt hij gefascineerd door de cultuur van de Edo-periode en verdiept hij zich in gidayū, de gezongen vertelkunst uit het Bunrakū-poppentheater. Die literaire belangstelling krijgt echter een klap toen zijn idool, de schrijver Ryunosuke Akutagawa – van wie we met Cosimo de novelle Kappa hebben uitgegeven –, in juli zelfmoord pleegt, een gebeurtenis die Shuji diep treft. Hij verwaarloost zijn studie, laat zijn vroege schrijfambitie tijdelijk verslappen, geeft zijn toelage uit aan kleren, alcohol en prostituees, en raakt geïnteresseerd in het marxisme, dat in die tijd sterk wordt onderdrukt door de Japanse overheid. Hij ontmoet ook de vijftienjarige leerling-geisha Oyama Hatsuyo.

1929 (20 jaar) In de nacht van 10 december 1929 doet Shuji zijn eerste zelfmoordpoging: uit angst voor zijn eindexamens nam hij een overdosis slaappillen in. Hij overleeft en herstelt in een kuuroord. Ondertussen kijkt de familie Tsushima met groeiend wantrouwen naar Shuji’s politieke activiteiten.

1930 (21 jaar) – Shuji weet alsnog voor zijn examens te slagen. Na zijn afstuderen verhuist hij naar Tokio, waar hij in april wordt ingeschreven aan de afdeling Franse literatuur van de Tokyo Imperial University. Hij volgt echter nauwelijks colleges en raakt al snel gedemotiveerd. Wel leert hij er activisten kennen, raakt steeds meer betrokken bij marxistische kringen en doneert regelmatig geld aan de Japanse Communistische Partij, tot groeiende ergernis van zijn familie.

Terwijl hij in Tokio zijn literaire weg zoekt, leert hij de gevestigde schrijver Masuji Ibuse kennen, aan wie hij zich in een brief wanhopig aanbiedt, dreigend met zelfmoord. Ibuse stemt in met een ontmoeting en wordt vervolgens zijn mentor, vertrouwenspersoon en belangrijkste pleitbezorger, die hem later helpt zijn werk gepubliceerd te krijgen en zijn reputatie als schrijver op te bouwen.

In die periode haalt Shuji zijn relatie met de geisha Hatsuyo Oyama uit Aomori verder aan. Zijn oudste broer accepteert het huwelijk onder strikte voorwaarden, maar laat Shuji formeel uit de familie zetten zodat zijn schandalen niet op Bunji’s politieke carrière zouden afstralen. Slechts negen dagen na die onterving, op 28 november, probeert Shuji op het strand bij Kamakura samen met de negentienjarige serveerster Tanabe Shimeko uit Ginza een liefdes-suïcide door verdrinking te plegen. Shimeko verdinkt, maar Shuji wordt gered door een vissersbootje en ontloopt, dankzij de interventie van zijn familie, vervolging door de politie.

1931 (22 jaar) – Shuji trouwt met Hatsuyo en probeert zijn leven opnieuw op te bouwen, maar blijft betrokken bij marxistisch geïnspireerde kringen. Zijn broer Bunji stemt ermee in hem een maandelijkse toelage te geven, op voorwaarde dat Shūji naar de universiteit blijft gaan, zijn connecties met de Communistische Partij verbreekt en niet met de politie in aanraking komt.

Aan die voorwaarden houdt hij zich echter niet strikt. Hij onderhoudt contact met communistische activisten, wordt vanwege zijn politieke activiteiten ondervraagd en zou kort in de cel hebben gezeten, wat de bezorgdheid en het wantrouwen van de familie Tsushima tegenover zijn politieke engagement verder vergroot.

1932 (23 jaar) – Wanneer Bunji ontdekt dat Shuji ondanks alle beloften toch door is gegaan met illegale activiteiten, draait hij zijn toelage opnieuw dicht, waarna Shuji – die door de politie wordt gezocht – een tijd onderduikt en in een diepe persoonlijke crisis belandt. Hij komt erachter dat Hatsuyo geen maagd was toen ze trouwden, iets wat hij als een zware emotionele klap ervaart, en besluit om zijn broer te beloven met al zijn politieke activiteiten te breken.

Bunji dringt er bij hem op aan zich te melden bij het politiebureau van Aomori. Shuji tekent en bezegelt een officiële verklaring waarin hij belooft volledig uit de linkse beweging te stappen, wat voor hem ook het einde betekent van zijn actieve engagement in de communistische beweging. Zijn toelage wordt daarop hersteld, hij gaat weer bij Hatsuyo wonen, hervat het schrijven en kijkt later op deze periode terug als een mislukte poging om via politiek te ontsnappen aan zijn eigen schaduw als lid van een bevoorrechte grootgrondbezitters familie.

1933 (24 jaar) – Shuji verhuist met Hatsuyo naar Amanuma, dicht bij de woning van zijn mentor Masuji Ibuse. In dat jaar begint hij onder het pseudoniem Osamu Dazai echt literaire bekendheid te krijgen: zijn eerste korte verhaal Ressha (列車Trein) verschijnt in een tijdschrift, waarin hij voor het eerst experimenteert met een uitgesproken ik-vertelvorm (watakushi shosetsu of shishosetsu) die later zijn handelsmerk zou worden.

In de daaropvolgende maanden publiceert hij Gyofukuki (魚服記Gedaanteverwisseling / Het verhaal van de vis-kleding), een donkere, bijna sprookjesachtige vertelling over een vismeisje, waarin zelfdestructie en de wens aan het mens-zijn te ontsnappen centraal staan, en Omohide/Omoide (思ひ出Herinneringen), een sterk autobiografisch stuk over zijn jeugd in een rijke maar emotioneel kille familie, waarin hij de clowneske rol beschrijft die hij aannam om zijn eenzaamheid en wanhoop te maskeren.

Dazai schrijft in een koortsachtig tempo verder en vestigt daarmee zijn reputatie als een veelbelovend, maar getormenteerd auteur.

1934 (25 jaar) — Dazai zet zijn productieve periode voort en publiceert in verschillende literaire tijdschriften. Tussen 1932 en 1934 schrijft hij ongeveer twintig korte verhalen. Later selecteert hij hieruit vijftien verhalen voor zijn debuutbundel Bannen (晩年, De late jaren).

1935 (26 jaar) – Het wordt duidelijk dat Dazai zijn studie aan de Tokyo Imperial University niet zal afronden en ook zijn poging om als journalist bij een krant aan de slag te gaan mislukt. Hij publiceert het verhaal Gyakkō (逆行, Verloren grond), een experimentele vertelling over de paradoxale “schoonheid van zwakte”, dat later genomineerd wordt voor de Akutagawa-prijs, waar het uiteindelijk tweede werd.

Rond dezelfde periode begint hij zijn kortverhalenbundel Bannen samen te stellen, bedoeld als een soort afscheid van de wereld. Op 19 maart probeert hij zich in Kamakura op te hangen, maar ook deze derde zelfmoordpoging mislukt. Enkele weken later krijgt hij een acute blindedarmontsteking, wordt opgenomen in het ziekenhuis en raakt daar verslaafd aan het morfinebevattende pijnstillende middel Pavinal.

1936 (27 jaar) – Na een jaar vechten tegen zijn verslaving aan Pavinal wordt Dazai tegen zijn wil opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij in een kamer wordt opgesloten en gedwongen wordt af te kicken; de behandeling duurt ruim een maand en gaat gepaard met hevige ontwenningsverschijnselen. Tijdens zijn opname pleegt zijn vrouw Hatsuyo overspel met zijn vriend Zenshirō Kodate, wat pas na zijn ontslag uit de kliniek aan het licht komt en hem diep treft. In diezelfde periode blijft hij literair actief en schrijft hij nieuwe teksten die later worden opgenomen in zijn bundel Bannen, die in juni 1936 in boekvorm verschijen.

1937 (28 jaar) – In het voorjaar, nadat hij fysiek hersteld is van zijn verslaving, probeert Dazai samen met zijn vrouw Hatsuyo in het bergkuuroord Tanigawa een liefdes-suïcide te plegen door een overdosis slaappillen in te nemen; ze overleven echter allebei, waarna het huwelijk definitief strandt en zij scheiden.

De tweede editie van Bannen wordt geprint met onder meer Dōke no hana (道化の華Bloemen van Dwaasheid), waarin zijn alter ego Yōzō Ōba na een mislukte zelfmoordpoging in een sanatorium verblijft en opnieuw de clowneske rol aanneemt om zijn vervreemding en existentiële angst te maskeren. Ook verschijnen Nijusseiki Kishu (二十世紀旗手; Vaandeldrager van de twintigste eeuw), een kortverhalenbundel over individuele vervreemding in de moderne maatschappij en de zoektocht naar een richtinggevend principe, en Kyoko No Hoko (虚構の彷徨, Dwalende fictie), dat draait om oneerlijkheid, verwarring en het dolende zelf, terugkerende motieven in zijn verkenning van vervreemding en innerlijke instabiliteit.

1938 (29 jaar) – Dazai kent opnieuw een productieve periode. In september reist hij naar Tengachaya, waar zijn mentor Masuji Ibuse verblijft, en ontmoet daar de lerares Michiko Ishihara uit Kōfu; enkele maanden later raken zij verloofd, wat zijn privéleven voor het eerst in jaren wat meer stabiliteit geeft.

1939 (30 jaar) – In januari 1939 trouwt Dazai met de lerares Michiko Ishihara, afkomstig uit een gerespecteerde, goed opgeleide familie, waarna ze daar korte tijd een bescheiden huwelijksleven beginnen. Het echtpaar verhuist naar een huis in Mitaka, net buiten Tokio, waar Dazai de rest van zijn leven zou blijven wonen en waar de nieuw gevonden rust en regelmaat van het gezinsleven zijn werk in deze periode beïnvloedden.

In dat jaar verschijnt het boek Joseito (女生徒, Schoolmeisje), een korte stream of consciousness-novelle die een dag in het leven van een tienermeisje volgt, en thema’s als adolescentie, verlies van onschuld en de kloof tussen innerlijke onrust en uiterlijke verschijning onderzoekt.

Verder verschijnt de bundel Ai to bi ni tsuite (愛と美について, Over liefde en schoonheid), met verhalen als Shūfūki (秋風記, Verhaal van de Herfstwind), Kashoku (秋風記, Bruiloft Fakkels), het titelverhaal Ai to bi ni tsuite en Hi no tori (火の鳥, De feniks), waarin de complexe verwevenheid van liefde en een diep besef van zondigheid centraal staat, dat Dazai ziet als bron van menselijkheid.

1940 (31 jaar) – Dazai publiceert zijn beroemde kortverhaal Hashire Merosu (走れメロス, Run, Melos!), een hervertelling van een Griekse legende die uitgroeit tot een klassieker in het Japanse onderwijs. Criticus Donald Keene merkte later op dat Dazai in de jaren 1940–1945 een van de weinige Japanse schrijvers was die, ondanks de zware censuur tijdens de oorlogsjaren, wist te blijven publiceren zonder zijn artistieke integriteit op te geven.

1941 (32 jaar) In juni wordt Dazai’s eerste dochter, Sonoko, geboren uit zijn huwelijk met Michiko, terwijl Japan steeds dieper de oorlog in glijdt. Dazai zelf wordt later dat jaar wel opgeroepen, maar dankzij een chronische longaandoening (tuberculose) vrijgesteld van militaire dienst. 

Dat jaar krijgt hij voor het eerst bezoek van Ota Shizuko in zijn huis in Mitaka, een bewonderaarster met wie hij een intense literaire en persoonlijke band opbouwde. In dezelfde periode reist hij met zijn gezin naar zijn geboortestreek Tsugaru om zijn zieke moeder te bezoeken, tegen de achtergrond van de escalatie van de oorlog, waarin Japan eind 1941 officieel in conflict raakt met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.

Eind 1941 publiceert hij Shinhamuretto (新ハムレット, New Hamlet), zijn bewerking van Shakespeare waarin een passieve Hamlet zijn eigen emotionele chaos weerspiegelt.

1942 (33 jaar) Later dat jaar keert hij met zijn vrouw en oudste dochter terug naar zijn geboortehuis in Tsugaru, waar hij enkele dagen bij zijn zieke moeder blijft; zij overlijdt in december, waarna Dazai nog eenmaal alleen terugreist voor haar uitvaart.

1943 (34 jaar) – In 1943 keert Dazai met zijn gezin opnieuw terug naar zijn geboortestreek voor een herdenkingsdienst voor zijn moeder. In die periode verblijft hij een tijd in Kōfu, waar hij werkt aan de historische roman Udaijin Sanetomo (右大臣実朝, De Rechtse Minister Santemo), die in september van dat jaar verschijnt. Daarin portretteert hij Minamoto no Sanetomo als een jonge, idealistische shogun die meer voelt voor poëzie en de verfijnde cultuur van Kyoto dan voor het brute machtsspel van de krijgers elite in Kamakura, en die liever een elegant, artistiek leven leidt dan een klassiek machtsbewuste heerser te zijn.

Tegelijkertijd werkt hij aan Tsugaru (津軽), een semiautobiografische reisbeschrijving door zijn geboortestreek in Aomori, waarin een commerciële opdracht uitgroeit tot een persoonlijke zoektocht: hij bezoekt oude kennissen, haalt jeugdherinneringen op en reflecteert – vaak drinkend – op afkomst en identiteit.

Eveneens in deze periode werkt hij aan de sprookjesachtige bundel Otogizōshi (お伽草紙, Sprookjes), waarin hij klassieke volksverhalen en kinderlijke nostalgie verweeft met zijn eigen melancholieke en vaak ironische blik.

1944 (35 jaar) – In juli overlijdt zijn ex-vrouw Hatsuyo Koyama, terwijl Dazai in Tokio blijft doorwerken en zijn gezin groeit met de geboorte van zijn zoon Masaki in augustus. In datzelfde jaar verschijnt zijn reis- en herinneringsboek Tsugaru (津軽).

1945 (36 jaar) – Dazai’s vrouw en hun twee kinderen worden uit veiligheidsoverwegingen geëvacueerd naar haar familie in Kōfu, terwijl hun huis bij Tokio zware schade oploopt door een luchtaanval. Het huis van de familie Ishihara wordt eveneens gebombardeerd, waarna Dazai zijn vrouw en kinderen noodgedwongen naar zijn geboortegebied Tsugaru stuurt.

Zelf verblijft hij tot november 1946 buiten Tokio, een periode waarin hij onder meer Otogizōshi (お伽草紙, Fairy Tales) publiceert. Hij begint de ontwrichting van de laatste oorlogsmaanden in zijn werk te verwerken, onder andere met Pandora No Hako (パンドラの匣, Pandora’s Doos), een briefroman die zich afspeelt in het naoorlogse, door tuberculose geteisterde Japan. De jonge ‘Skylark’ probeert in een sanatorium te herstellen, terwijl Dazai via zijn liefdesperikelen, existentiële angst en zwarte humor de wankele zoektocht naar hoop te midden van lichamelijk en moreel verval uitwerkt.

1946 (37 jaar) – De feuilletonroman Pandora’s Doos, die hij sinds eind 1945 als feuilleton in de krant, verschijnt in boekvorm. In de nasleep van de oorlog verkeert Dazai in een periode van somberheid. Hij keert, na ruim een jaar evacuatie met zijn vrouw en kinderen, terug naar hun huis in Mitaka bij Tokio. Dicht bij het station van Mitaka huurt hij vervolgens een werkkamer op de bovenverdieping van een nabijgelegen woning, waar hij vele bezoekers ontvangt en verder werkt aan zijn naoorlogse oeuvre.

1947 (38 jaar) – Dazai krijgt in zijn werkruimte bezoek van Ota Shizuko, een bewonderaarster met wie hij al enkele jaren een steeds intensere briefwisseling voert. Hij zoekt haar op en leent haar dagboek, dat hij gebruikte als belangrijk vertrekpunt voor de roman Shayo (斜陽) oftewel Zonsondergang dat we nu met Cosimo hebben uitgegevenZonsondergang verschijnt eerst als feuilleton en wordt in december pas in boekvorm uitgegeven.

In maart wordt uit zijn huwelijk met Michiko zijn tweede dochter Satoko geboren, die later bekend zou worden als de schrijfster Yuko Tsushima. In dezelfde periode ontmoet hij bij een kraampje voor het station van Mitaka de kapster Yamazaki Tomie, die met zelfmoordplannen rondloopt en met wie hij een noodlottige relatie begint.

In november wordt zijn dochter Haruko geboren uit de relatie met Ota Shizuko, terwijl Dazai tegelijk zijn literaire reputatie verder verstevigt met verhalen als Viyon no tsuma (ヴィヨンの妻, Vrouwe Villon) waarin naoorlogse armoede, morele ontwrichting en vrouwelijke perspectieven in het verwoeste Japan centraal staan.

1948 (39 jaar) – In 1948 werkt Dazai koortsachtig verder aan zijn naoorlogse oeuvre: hij voltooit zijn roman Ningen Shikkaku (人間失格, Als mens mislukt – en in het Nederlands verschenen in een vertaling van Luk Van Haute die voor ons De poort van Soseki Natsume vertaalde) en begint aan de roman Guddo Bai (グッド・バ, Vaarwel), die onvoltooid zal blijven.

In de nacht van 13 juni 1948 verlaat hij zijn huis, na het achterlaten van het onafgewerkte manuscript van Guddo Bai en verschillende afscheidsbrieven, en pleegt hij samen met zijn minnares Tomie Yamazaki zelfmoord door zich in het Tamagawa-kanaal te verdrinken. Hun lichamen worden pas op 19 juni 1948 gevonden, op Dazai’s negenendertigste verjaardag. Kort daarna wordt er een afscheidsplechtigheid gehouden onder leiding van zijn vriend en mentor Masuji Ibuse.

Dazai’s graf bevindt zich binnen het Zenrin-ji-tempelcomplex in Mitaka, Tokio. Het is gericht naar het graf van Ogai Mori, voor wie Dazai veel respect had.

Zijn werk blijft, exemplarisch voor de Buraiha‑stijl (‘bende van verval’), wereldwijd lezers aanspreken door de scherpe psychologische observaties en de directe, vaak duistere benadering van de menselijke conditie.